De tik

Mijn oma kon in een keer een appeltje schillen. In één keer kwam de schil er in een lange krullende spiraal af. Nooit brak de schillenslinger, nooit hoefde ze een keer extra op de appel aan te zetten. Één regelmatige, vloeiende beweging. Was ze klaar dan sneed ze de appel – van de boom in de tuin – in kleine partjes en bood iedereen een stukje aan op de rand van het mes. Het grootste gedeelte van het klokhuis bleef er in zitten. En ook een bruin plekje hier en daar, of een stukje bruine doortocht van een worm had je maar voor lief te nemen. Er werd niks eetbaars weggegooid. En die schil dan? Nou die ging in het biezen mandje en was straks voor de varkens.

Ook nu weer draaide er een appeltje door haar vingers, maar waar ze normaal na het avondeten, rond de platte buis gezeten, vrolijk met zijn zessen kwetterden (zeven nu ik logeerde) was het vandaag  stil. Geladen stil. De appelpartjes werden zonder een woord rondgedeeld en weg geknaagd. Als om het er nog eens extra in wrijven, snikte ik nog eens diep en haalde mijn mouw over mijn betraande ogen. Ik voelde er al lang niks meer van, maar ik verlengde zo wel mijn slachtofferschap dat zoveel effect had. Elke keer als het lukte mijn ogen weer met tranen te vullen (door bijvoorbeeld heel hard terug te denken aan het incident, of aan die ene aflevering van Lassie, of mijn open knie van weken geleden) vuurden de ogen van mijn tante Riet en ook oma die rondom de platte buis zaten dodelijke beschuldigende blikken richting mijn opa af. Die wist er zich geen raad mee, voelde zich kennelijk ongemakkelijk. Van de weeromstuit vergat hij zelfs pruimtabak te nemen, zoals hij altijd deed, maar pakte direct de rozenkrans en begon: “Weeees ggroet M’ria”. Alle zeven rond de platte buis vouwden hun handen en volgden hem in de mompelende mantra. Om de tien Weesgegroet een onze vader. Een hele zit, want zo’n rozenkrans duurde eindeloos. Ik snikte nog een keer uitdrukkelijk. Nee, de sfeer was grondig verpest.

Ze hadden hem natuurlijk ook niet zo tegen zijn zin mee moeten slepen naar Breda vanmorgen. Hij was geen man voor winkelen. Kwam zowat uit een andere eeuw: geboren 1901. Toen waren er – voor zover hij wist – geen winkels. En ook geen auto’s, geen elektriciteit, geen flauwe kul. Als je nieuwe kleren nodig had dan hingen die ’s avonds aan de deur. Die had je moeder of je vrouw voor je gekocht bij een colporteur of ergens in het dorp. Een echte vent bemoeide zich niet met kledingkeuze. Dat had niks met machogedrag te maken, maar met focus. Een man behoorde zich – in de wereld van mijn grootvader – louter te richten wat er werkelijk toe deed: het voeden en opvoeden van zijn gezin. Dat was moeilijk genoeg op de kleine zelfvoorzienende boerderijen in deze streek. Meer dan een dagtaak. Afleiding kon afbreuk betekenen. Volgens die tijdgeest waren karaktereigenschappen en overlevingskansen nauw met elkaar verbonden. Een man, in de ogen van mijn opa, die was karaktersterk, taai en onverzettelijk. Die vroeg niets voor zichzelf, die deed alles wat nodig was voor zijn gezin, zonder zaniken. De laatste linie. En om dat mij, zijn oudste kleinzoon, duidelijk te maken, zei die niet veel, maar liet hij vooral zijn daden spreken. Pakte met zijn blote handen de schrikdraad vast – waar met tussenpozen stroom doorheen werd gejaagd – sprong hij zomaar op de rug van een paard waar ik bang voor was, liet zich in zijn onderarm bijten door een hond die wild blaffend vanaf een erf op ons afkwam. Worstelend slingerde hij het beest, dat mij bijna te pakken had gehad, vastgebeten in zijn onderarm zo met een grote boog de sloot in. ‘Doet het pijn opa?’ ‘Tis maar een fetske…’ O&O-mensen: onverschrokken en opofferingsgezind. En mannen die wel er graag mooi bijliepen in chique kleren, dat waren ‘fielten’. Het was bovendien, maar misschien ook vooral niet echt katholiek: modieuze mannen.

We konden er maar net in, in de Peugeot van oom Jos, die had aangeboden te rijden. Oma, tante Riet, tante Mien, tante Joke, opa en ik. En natuurlijk Jos achter het stuur. Terwijl de rest elkaar verbaal vlooide en daarbij veel kabaal maakte gedurende de hele rit, zei opa niks. Chagrijnig zat hij er bij. Zijn armen over elkaar op de achterbank in een soort stil protest. Ik zat bij tante Mien op schoot, en het werd al gauw benauwd. Het was in 1967 toch altijd nog een rit van zeker veertig minuten naar het centrum van Breda, een van de eerste keren dat ik een stad bezocht, zes jaar oud. Na moeizaam inparkeren (te weinig parkeerruimte volgens oom Jos, maar de rest wist wel beter), rolden we uit de auto naar de winkels. De tantes en oma waren erg opgewonden. Dit deden ze niet vaak en ze keken hun ogen uit. Peek en Cloppenburg was het zo verschrikkelijk groot dat het bijna niet kon geloven. Maar liefst twee etages (en een roltrap waar ik eerst niet op durfde). De vrouwen trokken aan de kleren in de rekken met hun ene vrije hand, want aan de andere bungelde steevast hun beugeltas. Keken kritisch en vaak afkeurend, legde shawls bij elkaar over de schouder en waren steeds bezig suggesties voor de ander te doen (iets voor jezelf kiezen kon eigenlijk niet zomaar).

Nou ja, eerst was het nog leuk, maar na een half uur verveelde ik me dood, en bij opa stond zijn gezicht op onweer. ‘Voor ons vader zouden we eigenlijk het best naar de V&D kunnen gaan,’ opperde tante Mien, die na meer dan een half uur nog  niks voor zichzelf had weten te scoren. ‘Ik moet eigenlijk de kippen nog voeren,’ zei opa onwillig, ‘we halen die pet wel bij Van der Vorst als die weer eens langs komt met de wagen’. Het was zijn eerste zin van de hele middag, maar die werd verkeerd uitgelegd: als zou hij eindelijk wat inschikkelijk zijn geworden.

Je had toen nog een pettenafdeling bij V&D, op de tweede verdieping. Ik had er geen zin meer in want ik was bij Peek en Cloppenburg al dertig keer over die roltrap geweest en nu hondsmoe. ‘Ik wil naar huis…’. ‘Ja,’ zei opa, ‘laten we naar huis gaan.’ Ook oom Jos scheen er wel voor de te voelen. Er dreigde een patstelling ,want er waren nu drie vrouwen die door wilden en drie (nou ja toch in ieder geval twee) mannen die met hun hoofd naar huis stonden. Nu was het wel zo dat de ware aanvoerster van het stel, mijn oma, in het kamp van de doorzetters zat, maar ze vonden het toch nodig op een diplomatieke tussenoplossing aan te sturen. Misschien konden ze mij, zes jaar nog maar, verleiden over te lopen naar hun kamp en er zo nog een paar winkeluren aan vast knopen. ‘Er is een speelgoedafdeling hier,’ zei oma. Woorden waar ze al snel spijt van kreeg.

Ze waren niet gewend aan een kind uit het consumententijdperk. Ik rende als een bezetene rond in het Walhalla van de V&D speelgoedafdeling. Er waren bouwsystemen, speelgoedgeweren met echte klappers, en een echte helikopter die je kon laten vliegen door hem op een katrol met een handvat te zetten en dan een ruk aan een koord te geven. ‘Die wil ik,’ zei ik beslist. Ze keken even naar de prijs, sloegen een hand voor de mond. ‘Nee, dat kan niet.’ En ze gingen naar de pettenafdeling. ‘Ja maar,’ liep ik ze achterna, ‘ik wil die helikopter heel erg graag.’ Ik zaagde zolang tot ze geen antwoord meer gaven. En toen herhaalde ik het keer op keer.  De verkoper op de pettenafdeling keek er van op. ‘Zeurt hij altijd zo?’ zei hij tegen mijn oom Jos. ‘Dat weet ik niet,’ zei die naar waarheid. Er volgde een verbaasde blik.

‘En wat voor soort hoed of pet zocht u dan?’ vroeg de verkoper aan mijn opa. Die gaf geen antwoord. ‘Een beetje een zondagse pet,’ zei oma.

‘Wat draag hij er altijd bij?’  wilde de verkoper, die een aanstellerige strik droeg, weten.

Er kwam een heel gesprek op gang waarbij opa in de derde persoon over tafel ging.

‘Een ruitje…,’ meende mijn om.

‘En wat is zijn maat…?’

‘Zweet hij veel?’

‘Ik weet zeker dat een mooi licht pak en een wit overhemd eronder hem veel jeugdiger zouden kunnen doen lijken, mevrouw. Dat haalt hem zeker op.’

Opa zijn gezicht vertrok nu zowat van de weerzin en kwaaiigheid. Hij jong lijken? Zijn hele leven had ie zijn best gedaan gestreng en gezaghebbend over te komen. Jong? Waar had die fielt het over?

‘Ik wil echt een helikopter… ik vind hem zo mooi.’

‘En nou is het afgelopen, nou houd je stil!’ brieste opa ineens.

Iedereen schrok ervan.

‘Tja’, zei de verkoper onverstoord tegen mijn oma, ‘als ik hem zo zie, dan zou ik toch een wat donkerder pet nemen. Een expressief gezicht komt dan toch beter uit.’

Getergd tot op het bot liet opa zich dan toch maar de pet aanmeten. Nu hij vorig jaar officieel bejaard was geworden, was alles zo anders geworden. Leek zijn gezag als gezinshoofd tanende, zo niet zowat verdwenen. De kinderen waren bijna allemaal de deur uit en oma leek officieus – namens hem –  de wapenstilstand te hebben getekend in de strijd om het bestaan. Voor het eerst in hun leven kregen ze maandelijks zo maar een bedrag waar je niks voor hoefde te doen. Nou ja, niks. Hij moest zich wel schikken in de nieuwe verhoudingen die het meebracht. Mee gaan winkelen, petten passen en dat soort flauwekul. Je vroeg je af of dat het allemaal wel waard was. En al was er dan met die AOW veel veranderd, een man met kinderen die voor zichzelf ging winkelen, dat was niet goed, dat was nog steeds, en dat zou ook nooit veranderen, niet katholiek.

Nieuwe zorgen, vanwege die zorgeloosheid. Wat moest hij bijvoorbeeld met mij aan? Ik die in mijn DNA zijn boodschappenlijstje had zitten. Maar het zag er naar uit dat flinke delen van dat lijstje niet uitgelezen zouden worden. Hoe leert zo’n jongen ooit de kunst van overleven als hij alleen maar van hebben-hebben is? Hij was al weer in peilloze somberheid teruggezonken toen tante Mien en oma, net voordat we opbraken, terug kwamen van de speelgoedafdeling. Met een klein kartonnen vliegtuigje dat je van een elastiek aan de stokje af kon schieten. ‘Maar ik wilde die helikopter,’ dreinde ik. Ze wisten niet wat te zeggen.

Onderweg terug naar huis hadden de tantes en oma hun best gedaan de sfeer er in te houden door opa’s pet – een hele mooie vonden ze – aan te prijzen en er vooral een punt van de te maken dat je zoiets toch alleen in de stad kon kopen.  Slim als ze waren sprokkelden stukjes klein gelijk bij elkaar die,  tezamen straks een groot gelijk, toekomstige excursies naar Breda zouden rechtvaardigen. Ik snikte achter in de auto. ‘Ik wilde die helikopter…’ Jeeeezus. Iedereen dacht het, maar niemand durfde het te zeggen.

Eenmaal weer thuis vlogen de deuren open en rolden we uit de auto op het erf. Het was zo heet in die auto geweest. En terwijl de tantes hun jurken rechttrokken en opa als laatste van de achterbank kwam, spande ik de elastiek van het vliegtuigje en schoot…zo dwars door de glazen ruiten van het kippenhok op het erf. Het glas rammelde en de kippen maakten een hels kabaal. Iedereen schrok geweldig en opa…die knapte. Die pakte zijn nieuwe pet en gaf me er een  flinke tik mee op mijn hoofd.

‘Aauw!’ Ik kreeg de drukknop die de klep met de bovenkant van de pet verbond tegen mijn oor.

Oma vloog op opa af en pakte de pet af. ‘Vader!!’ haar ogen spoten vuur.

Ik weet het niet hoor. Vorig jaar werd een Italiaanse politicus drie dagen lang in een Zweedse cel gesloten omdat hij zijn twaalfjarige zoon, die niet wilde luisteren en enorme misbaar maakte net buiten een restaurant, een paar tikken rond zijn oren had gegeven. En dat mag niet in Zweden, zelfs een corrigerende tik is daar strafbaar. Dat gaat me wat ver. Kijk nou naar mijn geval en zeg nou eerlijk? Ik had die tik toch verdiend, niet dan? Natuurlijk is het altijd een grijs gebied, want waar houdt corrigeren op en waar begint mishandeling. Helemaal mee eens. Maar toch is het strafrecht hier niet het geëigende middel volgens mij. Dat lost in dergelijke situaties niet veel op. De vrouwelijke raad die over mijn opa oordeelde in de dagen erna zorgde er in ieder geval voor dat het nooit weer gebeurde. Daar had geen strafrechter tegen op gekund.

© Wim Voermans, 2012

Changsha, China, rond een uur of negen in de ochtend

Geen vogels! Ik ben hier al twee dagen en nu merk ik het pas. Er schijnt een schitterend zonnetje. Een kleine bries, uitzicht over de Xiang rivier, en de bomen zijn in blad. Voorjaarsstemming zou je denken, maar niet helemaal. Je mist ze. Noch in het groen, noch aan de open hemel is er – hoe lang je ook kijkt – ook maar één vogel te bekennen. Geen piep, geen tweet, geen gekras of gekwetter. Niks. Zou het te maken hebben met die smogmist die hier voortdurend als een soort vaal glasgordijn over de hemel van de stad hangt? (Na een half uur in de stad is je neus zwart, je mond stoffig en je ogen prikken). Of zou het er mee te maken hebben dat Chinezen hun liefde voor dieren vooral beleven via de mond (je ziet ook nauwelijks mensen met een hond lopen)? Dat dus al die vogels zijn opgegeten. Of zou het zijn omdat de vogels zich hier niet langer fijn voelen, omdat ze niet vrij met elkaar kunnen praten en daarom dan maar verhuisd zijn. Op zoek naar een betere toegang tot het wereldwijde vogelweb? (Na twee dagen kan ik er over meepraten – oom Staat kijkt mee op het internet, en houdt pesterig webpagina’s bij je weg. Ook die waarop je probeert te mailen met je familie of collega’s).

 

Muziek: best wel belangrijk natuurlijk

Daar gaat ie dan weer.

Muziek doet er toe.  Natuurlijk.

Het doet iets met je, al is het moeilijk precies uit te leggen wat. Net als de smaak van chocolade: een emotie die nauwelijks in woorden is te vangen.

Ik heb, denk ik, niet echt verstand van muziek. Ik speel geen instrument,  heb geen ritmegevoel, en met meezingen op de lagere school werd ik door de muziekonderwijzer altijd ‘afgetikt’. Dan moest je, terwijl de klas lustig verder zong, gaan zitten en je mond houden.

Ik moet dus eigenlijk ook mijn mond houden over muziek, zeker muzieksmaak. Maar toch.  Ik kan bijvoorbeeld niet tegen mensen die, als ze in een belspelletje voor de radio wordt gevraagd naar hun muzieksmaak, zeggen dat ze alle muziek eigenlijk wel leuk vinden. Dan heb je volgens mij niet alleen geen muzieksmaak maar ook helemaal geen gevoel. Dan ben je een soort zombie, een levende muziekdode.

Enfin, het was zo idioot vroeg dat hij belde. Nog geneens half acht en dat op een zaterdag. Ik lag er de avond tevoren pas om half drie in. Mijn hoofd bonkte, mijn tong voelde als een twee weken oude broodhomp. En ik kon bijna geen woord uitbrengen.

‘Ja, met mij’

‘He met mij.’ Het was William.

‘Man weet je wel hoe vroeg het is?’

‘Jij moet toch altijd zo vroeg op?,’ zei hij.

‘Ja, maar niet in het weekend.’

En dat viel inderdaad niet mee. Ik werkte nog maar een half jaar. En dan kom je terecht in die moeilijk te hanteren schemerzone die ligt tussen studentleven (of wat daar dan voor doorging) en professioneel leven. Van nachtelijk leven, naar dagritme, van maatjes naar collega’s, van je vroegere zelf naar…naar een ander. Maar dat kon ik zo gauw niet allemaal uitleggen natuurlijk. Ik bedoel, dat dat niet mee viel. Enfin.

‘Je moet komen,’ zei William een beetje opgewonden. ‘We hebben nou toch een band in het programma, geweldig…’

William was na zijn vervangende dienstplicht ook gaan werken. Als bureauredacteur bij het televisieprogramma Firma Onrust van de VPRO. De voorhoede van de avantgarde zullen we maar zeggen. Een jongerenprogramma van de VPRO dat zich juist richt op alternatieve of (nog) onbekende muziek, de voorganger van het BNN programma ‘Spuiten en slikken…’ Dat was nog eens wat. En ze draaiden er ook allemaal muziek die je, in het clubje waar ik in rondhing, goed moest vinden. Een beetje een probleem, want ik vond het lang niet altijd goed. Maar dat was omdat, dat hadden we met elkaar vastgesteld, ik geen verstand van muziek had. Tja het was niet anders.

‘Ik kan dat toch gewoon morgen op t.v. kijken als jullie programma wordt uitgezonden?’

‘Nee, man, live is veel beter…’

‘En waar is dat dan te doen?’

‘Vlak bij jou man….’

Waar vlak bij mij, want je wordt van zulke vragen toch snel wantrouwig als je al wat langer in Tilburg-West woont.

‘In Utrecht. Je moet er echt bij zijn, ze zijn geweldig.’

‘Hoe heten ze?’ probeerde ik, vissend naar nog een extra reden om er niet heen te hoeven.

William prevelde iets door te telefoon wat ik niet kon verstaan. Ik moest ook hoesten.

‘Wat?’

‘De hele scandinavische wereld is er gek van. Echte heerlijke maffe neo-punk. Ze lijken wel een beetje op (volgt een lange lijst van idiote bandnamen waar ik nooit van had gehoord)….Helemaal te gek. In Finland maken ze het helemaal. En nou hebben wij ze omdat het optreden van ze in Nergenshuize niet doorging en ze nu toch in Nederland waren.

(Optreden dat niet doorging?….)

‘Je moet wel opschieten,’

(Hoezo?)

‘Ze treden om 11.00 vanochtend op want ze moeten om half drie vliegen.’

‘Ik voel me niet goed,’ zei ik naar waarheid, ‘ik laat het even voorbij gaan.’

‘Nee, je moet echt komen.’

‘Hoezo?’

‘Nou dan kom je op tv. En….nou ja, we hebben snel publiek nodig want we nemen op in de oude Gasfabriek en we hebben eigenlijk, op zo korte termijn, geen publiek. En een live-opname zonder publiek, is geen porem.’

….

Om 11.00 in de ochtend stonden we met ca. veertig mensen in een kil zaaltje van de oude gasfabriek. We keken naar een drumstel, twee microfoons en een decor dat gemaakt leek van een beetje tuttige baluwe damesshawl, maar dan een hele grote. Laat ik voorzichtig zeggen dat er geen uitgelaten sfeer van hooggespannen verwachting was. En zij van Onrust waren ook nog de presentatrice kwijt.

Het duurde allemaal eindeloos in mijn herinnering. Totdat de band, een stelletje rouwdouwers verscheen en zich achter de instrumenten zette. ‘Ze komen uit IJsland,’ zei een meisje naast mij, met een hele grote rode strik in haar haar. (Cyndi Lauper, schoot me te binnen, ze lijkt op Cyndi Lauper). IJsland?? Helemaal een reden om maar weer direct naar huis te gaan.

De band zette in. Groezelige, kale punkakkoorden, naargeestige slagen op de drum. En toen kwam ze binnen. Muziek. Zij, muziek. In een mal zilverkleurig mantelpakachtig ding. Klein, niet mooi. Een beetje een trol. Een knul met gele bretels ging naast haar staan. Einar, zo leerde ik later.

‘Deus does not exist…’ zo zette ze het nummer in. Een wat onvaste stem, maar ergens naar het einde van het nummer laat ze haar stem overslaan, en in het volgende nummer ‘Cold Sweat,’ haalt ze de handrem eraf en maakt ze een paar achterwaartse salto’s met die verschrikkelijk hoge harde stem.  De pure sensatie van muziek. Ze zingt dwars door je heen, je voelt haar stem letterlijk je buik doorgaan, je borstkas beweegt. Ze gebruikt de holle ruimten in jouw lijf als klankkast. Een hele vreemde ervaring, de doordringende stem van dit freaky kleine trollenmens. Bjork. Hoe zal ik het zeggen? Nou nee, dan had je ook maar op tijd uit je bed moeten komen. Want dan had je er eigenlijk zelf bij moeten zijn.

 

 

 

 

 

Dialect

Kijk, we mankeren allemaal wel wat. De een dit, de ander dat. Het verschil zit ‘m er vaak alleen maar in hoe je er mee om gaat. Wat voor de een een kleinigheid is, is voor de ander een onoverkomelijke kwelling. En andersom weet bijvoorbeeld zo iemand Patty Brard zich gemakkelijk over haar beperkingen heen te zetten, terwijl een ander met zo’n aandoening denkelijk de hand aan zichzelf zou slaan.

Bij mij dan dus dat dialect. Nou niet eens dat dialect zelf, maar de tongval die het in zijn spoor achterliet. Mijn hele familie, de buurt, iedereen sprak in mijn jeugd West-Brabants dialect. Bij ons het typische taaltje dat in de driehoek Etten-Leur, Rijsbergen, Zundert wordt gesproken. Dat is anders dan het aangrenzende Bredase dialect (dat mag bijna geen dialect heten), en ook weer anders dan het Roosendaals, waarin al een eerste hintje Zeeuwse heesheid te herkennen valt.

Enfin, dat doet er eigenlijk niet toe. Dialect was alles wat ik kende en hoorde tot aan de kleuterschool, al was er iets met juffrouw Diny aan de hand – die praatte gek. Nee ik hoorde pas dat ik niet beschaafd sprak in de eerste klas van de lagere school. Er was kennelijk een officiële taal, Algemeen Beschaafd Nederlands, en die behoorde je te spreken. Kom je dan achter. Tot aan mijn zesde had ik dat nauwelijks gehoord. Een enkele keer van de tv-Sint Nicolaas en Rikkie en Slingertje zaterdagmiddag op de televisie bij familie. Eigenlijk is het op je zesde al te laat om dat ABN nog goed te leren. Het dialect is op dat moment al ingeprent, ingesleten in je stembanden als een rivier in een rotsbedding. Abnih0

Wat deert het, zou je denken, in een streek waar dialect prima wordt verstaan en als huiselijk wordt ervaren. Daar praatten ze al eeuwen zo. Toch verloor de platpraterij zijn onschuld in die jaren. Door de opmars van het ABN, via televisie en radio, door migratie van Noord-Nederlanders naar Brabant, door van alles en nog wat was de West-Brabantse tongval ineens niet langer de norm in het dagelijkse leven (zelfs op school werd met een zware tongval onderwezen), maar werd het de toch een beetje afwijkende taal. Werden de woorden van mijn moeder een smetje. Want wie zich niet uit kon drukken in accentloos ABN was kennelijk niet goed opgeleid. En zo werd dialect, zelfs tongval, de direct hoorbare indicatie van een milde vorm van achterlijkheid.

AT8TR0BCA8I8ZO4CANFGPRQCAA3YI9XCA1AGKO0CA38ZSESCAZ565JQCAOOGPHICA1CRGTKCALUBLRVCAKNVD6YCAAHEQ8XCA7BUF2WCA9LJFLXCAMEANW7CALCTCEICA5PXLN8CA2JYAMFCAQ4ZNEW Niet iedereen legde zich daar zomaar bij neer in Zundert. Als mensen een goede beurt wilden maken, eens wilden laten zien dat ze niet van de straat waren, dan drukten ze zich zo goed en kwaad als dat ging uit in het Algemeen Beschaafd Nederlands. Althans een taaltje waarvan zij dachten dat voor ABN door kon gaan. Dat leverde meestal een koddig klinkende taal- en klankenmix op waarmee door andere dorpsgenoten de draak werd gestoken (‘Bakker, mag ik drie cocos-mac-a-ronen, twee mergpijpjes en een ‘vruchtetoart’). Die zagen dat ABN-gedoe maar als aanstellerij en vonden dat iedereen maar ‘gewoon’ moest praten. ABN bij dorpsgenoten werd gezien als een vorm van overloopgedrag.

Als je Zundert nooit uit hoefde, had je natuurlijk makkelijk praten. Maar als je verder moest, dan wilde je toch liever niet bij de eerste indruk al een modderfiguur slaan door die tongval van je. Nou ja, dat accent daarmee kon ik nog wel leven, maar voor dat dialect zelf schaamde ik me een beetje in vreemd gezelschap. In dat grote studentenhuis met die ene telefoon op de openbare overloop zocht ik momenten op waarvan ik zeker wist dat er weinig mensen in huis waren, om te bellen met mijn moeder. Schakelde snel over op mijn variant van ABN als iemand zich bij mij en William voegde in Amsterdam (als we gedronken hadden vergaten we dat wel eens, wat tot grote hilariteit bij de vrienden aanleiding gaf). Accent en dialect waren – zo ervoer ik – stigmata, en ik kon er maar niet van af komen. Riskant, want je dialect kon je zomaar ineens ontmaskeren.

Oude zwembad Koninginneweer, zo noem je dat denk ik. De zon perelde, tweeëntwintig graden, een kleine bries die de vele kleurige vlaggen deed wapperen. Het nieuwe zwembad de Wildert zou vandaag officieel worden geopend. We spreken mei 1973. Tot nu toe had Zundert wel een zwembad gehad, maar dat was een ‘natuurbad’. Een grote kuil met aan weerszijden wel een schuin aflopende betonnen rand (waar je je lelijk aan kon bezeren). Alleen een zwembad in naam, want het was in wezen een modderpoel met een kleiachtige zandbodem die in open verbinding stond met de Zundertse Beek. Het water was ondoorzichtig bruin slootwater, en al zeiden ze dat het zo schoon was dat er oesters in het diepste stuk groeiden, in de zomer gebeurde het nogal eens dat het hele bad vol zat met spinazieresten omdat de groentefabriek Groko rechtsreeks afvoerde op de Beek en de prut zo in het zwembad binnenstroomde. Het nieuwe zwembad was een geweldige verbetering vergeleken met die ouwe slijkbak. Een 50 meter wedstrijdzwembad met gechloreerd water, en nog een apart kinderbad er bij. Duikplanken, een imposante observatietoren voor de badmeesters en een halve hectare speelweide erbij. Het was in de vroege jaren zeventig een heel modern buitenzwembad, een juweel voor de gemeente Zundert dat daarmee direct zijn innovatieve ambities liet zien. Iedereen was opgetogen en het was vreselijk druk op die openingsdag. Niemand zo blij echter dan Eugène Peters, de zware hoofdbadmeester met zijn dikke ronde buik. De man die ons allemaal, gestoken in smetteloos witte broek en poloshirt, zwemles had gegeven, de man met de doordringende fluit en barse stem, de zedenmeester die waakte tegen betasting, de honderdveertig kilo zware belichaming van zwembadgezag (tromgeroffel): ´Sooi Sok´.

Iedereen had wel een bijnaam en meestal zat er wel een reden achter. Maar waarom Sooi Sok, Sooi Sok heette heb ik nooit kunnen achterhalen. Nou ja, dat doet er ook niet toe. Sooi schreed rond als een pauw op die middag der middagen, die gloriedag van de opening.Voor de gelegenheid had hij ook witte gymschoenen en witte sokken aan getrokkennaast zijn toch al stralend witte badmeestersoutfit. Hij was dé Witte Reus. Het deed pijn aan je ogen.

Dewildert Burgemeester Kievits probeerde het kort te houden met Sooi Sok. Zo was hij al niet ingegaan op het aanbod om een half uur voor de officiële opening een boterhammetje te komen eten en ‘even bij te praten’ zoals Sooi het had genoemd. Nee, om 13.00 zou de burgemeester komen en vanaf de observatietoren de opening te verrichten en daarna de vlag te hijsen. Ook zou hij nog wel zien of hij voor de aansluitende receptie bleef. Dat gebrek aan enthousiasme bij Kievits verontrustte Sooi wel een beetje, maar hij vertrouwde op zijn nagelnieuwe zwembad, zijn eigen charme en bonhomie, om straks definitief zijn entree te kunnen maken in de kring van intimi van de burgemeester, het selecte gezelschap van de Zundertse notabelen. Al maanden had hij geoefend op zijn speech en daarbij de hulp van een nicht uit Utrecht ingeroepen. Getraind had ie als Demosthenes. Zijn ABN was zo vlekkeloos als zijn kleren. Hij kon zijn speech accentloos uitspreken.

A.F.C.L. Kievits was gehaast en kribbig omdat het zo was uitgelopen bij het bezoek aan de bejaarde zusters van het Annaklooster. Hij meldde zich samen met de gemeentesecretaris bij de draaihekken voor de kassa. Sooi Sok, die al meer dan een kwartier in de buurt van het kassahokje ronddrentelde, beende direct op hem af. Het was al drie minuten voor een. Zo nerveus was hij dat hij bijna vergat zijn vrouw – Toke Sok – die de kaartjes verkocht in het kassahokje, voor te stellen aan de burgemeester.

‘Mijnheer de Burgemeester, mijn vrouw, Catharine Peters.’ Toke knikte beleefd vanachter het glazen loketvenster. Sooi had haar bezworen niets te zeggen. Alleen knikken. Toke vond het allemaal maar flauwekul, maar enfin. Ze zei niets en ging weer zitten.

Sooi liep met de burgemeester naar de observatietoren. Samen gingen ze zwijgend de trap op. Tussen de vlaggetjes op de balustrade stond een grote microfoon opgesteld. De geluidinstallatie galmde luid en storend toen Sooi, eenmaal boven op de microfoonkop tikte. Pas hierboven kon je goed zien hoe druk het wel niet was. De hele speelweide lag vol met mensen. Druk was het en er stroomden nog steeds bezoekers langs de ingang binnen.

‘Dames en heren,’ sprak Sooi statig in de microfoon. Duizenden ogen richtten zich naar hem daarboven in die toren. Mensen begonnen in de richting van de observatietoren te lopen. ‘Dames en heren, jongens en meisjes, het is met veel genoegen dat ik het woord tot u richt op deze mooie voorjaarsdag waarop we ons nieuwe zwembad de Wildert openen…’ Het waren kaarsrecht Hollandse loodletters die van Sooi’s tong rolde. Zijn dorpsgenoten keken elkaar veelbetekenend aan. Dat taalgebruik! ‘Ik dank u allen hartelijk voor uw grote opkomst die bijdraagt aan de luister van dit moment…’Opening zwembad

Luister?? Luister wat? Onderaan de trap van de wachttoren stootten ze elkaar aan.

‘We danken de gemeente voor de vooruitziende blik die spreekt uit het initiatief tot bouw van dit zwembad. Het is me daarom ook – en ik weet dat ik uit naam van u allen spreek – een voorrecht het woord te geven aan onze burgervader, dhr. mr. Kievits, om de officiële opening te verrichten.’

‘Ik heb nog met Sooi op de lagere school gezeten,’ zei een vrouw die wat aan de linkerkant stond. Wat ze er mee wilde zeggen begreep eigenlijk niemand, maar het had zeker te maken met de verbazing die iedereen was overvallen. Niet alleen was het zwembad nieuw en modern geworden, maar ook badmeester Sooi Sok – waarschijnlijk voortaan weer gewoon Eugène – was totaal getransformeerd.

Burgemeester Kievits nam geroutineerd de microfoon over en glimlachte naar Sooi.

‘Dames en heren, wat een prachtige dag,’ begon die, maar toen ineens haperde de geluidsinstallatie. Na een keihard rondzingende storingstoon, klonk er gerommel uit de luidsprekers die over de hele speelweide van het zwembad stonden opgesteld. Je hoorde verwarde stemmen die door elkaar spraken en die duidelijk niet uit de observatietoren kwamen en die ook duidelijk niet uit de mond van de burgemeester waren.

‘Auw, auw…!!’ schreeuwde iemand door die intercom. Het hele publiek spitste de oren. Het geluid kwam – zo leek het wel – uit het kassahokje bij de ingang waar Toke Sok ook een microfoon tot haar beschikking had om te kunnen communiceren met Sooi in de wachttoren. Die microfoon stond kennelijk open. Even werd het stil.

‘Hé Sooi,’ kefte Toke toen in haar platste Zunderts door alle luidsprekers van het zwembad, ‘Sooi kunde noar de kassa komme, want d’r zit er jéne mee zènne kop tusse de draaiport….’

En daarop rolden ze van het lachen over elkaar daar op de speelweide. En de burgemeester, die snapte er niks van.

 

Zonneweide de wildert

Goede smaak

Toch op zijn minst een middag lang in Scheltema of Boekhandel Schimmelpennink moest je dolen. Of uren speuren in Barnes & Nobles, waar je de weg niet kende en geïrriteerd raakte omdat er, net als in een vreemde supermarkt, alle producten verkeerd om staan. Een goed boek vinden was altijd werken, uren snuffelen, stukje lezen, er nog eens over na denken. En dan uiteindelijk de opwinding als was het een archeologische vondst. En zeker als je dan ook nog eens in het gelijk gesteld werd met leesgenot. Hoeft niet meer, nergens voor nodig.

Loop op Schiphol de AKO (wel de grote) binnen, ga naar de tafels met de buitenlandse non-fictie en pak er maar iets van af. Bijna altijd raak. Ik ben inmiddels de schaamte die ik aanvankelijk over dit soort gemakzucht had voorbij. Zulke functionele luiheid bracht me namelijk Tom Holland, de nieuwste Ako Schama, John Darwin (After Tamerlane), John Burrows, Chris Wickham (The inheritance of Rome), P.J. O’Rourke (On the Wealth of Nations), Roger Crowley, Jared Diamond, Lisa Jardine, Milton Friedman en – jazeker – Niall Ferguson. Populaire historische boeken. Geweldig en meeslepend geschreven reisgezelschap. Heerlijk. Het is me al een paar keer gebeurd dat het me lukte een vangst uit te lezen tijdens de reis (tip: alleen proberen te eten tijdens congressen – dan schiet het beter op en er is geen groter genoegen dan etend te lezen. Ook dit is politiek incorrect, weet ik).

Zit er nou sleet op mijn goede smaak (zo ik die al had) vroeg ik me afgelopen week af (reis naar Zagreb) toen ik de nieuwste van Niall Ferguson (met de pesterige titel Civilization: the West and the Rest) afrekende bij de kassa? Hij is mijn favoriete schrijver in dit genre. Lekker stellig, maar een verteller van het zuiverste water en ook een goede historicus als je het mij vraagt. Maar toch: dit Civilization. Het lijkt een beetje of hij het succes van Jared Diamond’s Gun, Germs and Steel en After Tamerlane van John Darwin wil kopiëren – met een beetje Crowley. Wellicht ook een obligaat boek na het geweldige The Ascent of Money. En hij is ook zo politiek geworden. Vriendjes met Cameron en steevast in het conservatieve kamp te vinden. Onheilsprofeet ook. Ik draai om net voor ik aan de beurt ben. Gemakzucht zal niet mijn leven regeren. Ik loop terug naar de stapels en doe dan iets wat ik de laatste jaren niet meer deed: ik begin gewoon te lezen. ‘Preface to the UK Edition.’ Alsof het een inleiding van een proefschrift betreft zo nauwkeurig legt Ferguson uit wat hij wil gaan doen. Maar hij blijft de meesterverteller met een geweldige eerste (toegegeven Jared Diamond-achtige) zin.

9781846142734 ‘I am trying to remember where it was, and when it was, that it first hit me (…)’ Zeg nou eerlijk, dijk van een openingszin. Zo begint Combray ook. Ik lees tot ik mijn naam over de gehele luchthaven hoor omroepen (‘you are delaying the flight’) gepaard met het dreigement dat ze mijn bagage gaan uitladen. Ik reken snel af – maar was al verkocht. Wat een boek. Hijgend bereik ik de gate (overdreven gedoe, ze gaan echt niet weg zonder je) en plof neer in 6D. Op het vliegveld van Zagreb ben ik aan pagina 50, in het hotel bij pagina 70. Die avond in het kleine achterafrestaurant bereik ik hoofdstuk 3 (centrale boodschap: instituties als competitie, wetenschap, eigendom, medische wetenschap, consumptie en werkethos verklaren het succes van de Westerse beschaving). Ik ben helemaal gegrepen door dit boek. Mijn hele hemd zit onder de etensresten en sausvlekken. Doet er niet toe. Bij het afrekenen kijk ik nog even op de eerste pagina. Drie kinderen heeft die, die hardstikke jonge Ferguson, die overal waar het er toe doet professor is, die televisie maakt en de hele wereld rond reist om lezingen te geven. Dit boek heeft hij opgedragen aan..hé?..ene Ayaan. Nee, hè, zal toch niet waar zijn? Ayaan Hirshi Ali? Ik loop een beetje harder naar het hotel. Nee in Oost-Afrika wonen miljoenen Ayaans. Toeval. Kan gewoon niet wezen. Maar dan in het donker gezeten achter mijn laptop lees ik, als ik de twee namen achter elkaar in Google heb ingetikt, de kille waarheid. Gelukzoekster Ayaan Hirsi Ali heeft weer eens toegeslagen. Ferguson heeft zijn vrouw na 17 jaar huwelijk voor haar verlaten. Een krantenknipsel zegt ook nog dat Ayaan in de VS al die tijd geen vriendje had (Waarom zouden we dat willen weten. Nou hier in Nederland had ze er maar genoeg). En er zijn storende foto’s van een verliefd kijkende Ferguson die daarop telkens bezitterig een arm om Ayaan H.I. heeft liggen, terwijl zij sereen (op een enkele foto bijna triomfantelijk) kijkt. Vreselijk. Wat nu? Ik verlies een vol uur in gepeins tot ik besluit dat een goed boek niet hoeft te lijden onder een auteur met slechte smaak

Imagesaliferguson.

Koninginnedag

Nooit, never, niemals. Mij zou je op Koninginnedag niet in een oranje t-shirtje aan de kant van de weg zien zitten met mijn hele tweedehandse-hebben-en-houwen. Zo ben ik niet. En trouwens die hele Koninginnedag…ja, wat zal ik er van zeggen?

Vooral dat afzetten van gedeelten van de stoep met lint en afzetband in aanloop naar de dag, dat stoorde me verschrikkelijk. De avond van te voren je in een campingstoeltje nestelen – een krat bier aan je voeten – om er maar zeker van te zijn dat je beste verkoopplek hebt voor de vrijmarkt. Met afschuw bekeek ik het op t.v. Nee, niks voor mij. Ik ging nog liever dood.

Maar, ja, dan krijg je kinderen en dan ga je ineens zonder erg en schaamteloos alles doen waar je twintig jaar eerder zo fier je neus voor ophaalde.ImagesCAAAAWHR

Morgen zouden we pas de muffins bakken en meenemen, maar vanavond kon ik toch vast de auto in de buurt van het park-speeltuintje, waar de vrijmarkt hier altijd wordt gehouden, weg zetten. Morgen zou daar in de buurt nergens meer een parkeerplaats zijn en dan zouden we al die drankjes, de spullen voor de uitstalkraam en het elektrische orgel over lange afstanden mee moeten slepen. Nee, beter nu de auto in de buurt zetten. Dat scheelt morgen een hoop werk.

Het zat mee. Toen ik er om een uur of acht ’s avonds aankwam, zag ik dat er nog één parkeerhaventje naast een andere auto aan de rand van het parkje vrij was. Wat een meevaller. Een hele goede plek ook. Hoefden we morgen alleen maar uit te pakken. We konden zowat uit de kofferbak de waar aanbieden. Dat er nou net een plekje vrij was zeg. Wel nog het hele stuk naar huis lopen, maar wat maakte het uit.

Het blijft natuurlijk een gek gewoonte, overdacht ik, als om mezelf tot de orde te roepen. Een mal en nieuw gebruik ook om met Koninginnedag al je oude meuk aan de kant van de weg te zetten. Ik weet niet anders dan dat er koek werd gehapt, spijkers in een balk werden geslagen en er zakkenloop was zo’n veertig jaar geleden. Helemaal geen vrijmarkt. Iets verkopen op je vrije dag? Je keek wel lekker uit. Wanneer is dat vrijmarktengedoe er eigenlijk in geslopen? Toen Beatrix is gekroond en eindelijk dat suffe defilé op Soestdijk was afgelopen? Of nog later?

ImagesCA1KJLEX Zou het er mee te maken hebben dat we zo’n duur koningshuis hebben? (Het duurste ter wereld als je per kop van de bevolking rekent. Luxemburg heeft – ik zeg het er maar even bij voor de zekerheid – geen koning maar een groothertog). Of gewoon de Nederlandse handelsgeest? Gezien dat kinderen een paar guldens verdienden door hun knuffels te verkopen en dan gelijk als volwassenen – voorzien van het perfecte excuus – even doorpakken om een prullaria-stapelmarkt te organiseren. Sommigen verdienen honderden euro’s op die dag en eindelijk heb je weer wat ruimte in je garage.

Ik zie gelijk dat het niet goed is als ik er de andere ochtend aankom met de kinderen. Onze auto – Citroën – is de enige auto die nog aan het pleintje staat. Ingeklemd tussen de oranje matjes en kleden vol met koninginnebulletjes. Schuldig, een zichtbaar memento van inhaligheid. De mensen en kindergroepen er om heen lijken al enige tijd te wachten op de aso die hier met zijn grote bak het beste plekje bezet houdt. Ik krimp zowat ineen.
“Je mag je niet parkeren”, zegt een klein blond meisje, die doorkrijgt dat de auto van mij is. Terwijl ze wacht op een antwoord blijft ze me aankijken. Lang en nadrukkelijk zoals kleine kinderen dat kunnen doen.

“Ja, ik wist het niet “, probeer ik mezelf te verdedigen. “Gisteravond stonden er nog meer auto’s. Toen was het nog niet afgezet.”

“Het stond in de krant,” zegt ze vlak. Alle omstanders, ouders, broertjes en zusjes uit de buurt doen nadrukkelijk losjes, alsof-ongeïnteresseerd, maar ze volgen de conversatie uit hun ooghoeken.

“Wij zijn niet uit deze buurt,” antwoord ik ongemakkelijk in een poging tot luchthartigheid. Dat maakt het kennelijk alleen maar erger.

Ze geloven er duidelijk niets van, al die mensen, en om heel eerlijk te zeggen ik geloof het eigenlijk zelf ook niet meer.

“Vorig jaar had ik hier mijn matje,” zegt het meisje, “en dat kan nou niet meer, want nu staat jullie auto er. (…) Vorig jaar hebben papa en mama al mijn knuffels verkocht.”

“Nou, een meevaller dan,” denk ik, “Daar hoef je dan vandaag niet meer bang voor te zijn.”

Een grote man met gifgroene crocks komt mijn kant opgelopen vanaf de overkant van de straat. Hij doet joviaal. “Kom op man, zet even die auto aan de kant.”

“Wat?” zegt mijn oudste. Hebben we dan straks geen plaats meer, pap?” Hij kijkt sip. Ik raak in de war. En het is warm. Straaltjes over mijn rug. “Nee, ik mag hier niet parkeren.”

“Maar er staat toch geen bord?” zegt mijn zoon teleurgesteld.

De man met de crocks (tot overmaat van ramp lid van het Oranjecomité) beziet de situatie. “Het wordt wel krap met draaien,” loopt hij op de situatie vooruit. “Ik help wel even.” Gedwee ga ik in de auto zitten, start en probeer achteruit te steken, maar de straat is zo krap en de stoep zo vol dat ik er niet uit kan.

“Gisterenavond kon je dat nog niet zien,” verdedig ik me nogmaals door mijn openstaande portierraam. Niemand die het interesseert.

“Laat maar,” zegt de crocks-man na een tijdje gehannes, “Dat wordt ‘m niet.”

Ik draai de auto terug op zijn oorspronkelijke plek, maar dan ineens zijn er die twee agenten. Met nog weer een mijnheer van het Oranje-comité.

“U kunt hier niet parkeren…”

“Gisteravond….,” en ik doe het hele verhaal weer een keer. Blikken van verstandhouding kaatsen heen en weer tussen hen en ook tussen de luisterende omstanders. “Ja, ja,” zeggen die ogen, “Je hebt er altijd weer bij.”

De agenten monsteren de auto en bevestigen nog een keer: “u kunt hier niet blijven staan.” Een spreekt er in het microfoontje op zijn schouder. Het lijken me aardige lui, ervaren dienders. Dat ik nou net…

“Moeten we nu weg?” vraagt mijn zoon nog een keer, met veel gevoel voor het overduidelijke.

“Ja, u moet weg,” antwoordt de agent die net op zijn schouder sprak. De man van het Oranjecomité – met een koddige oranje cowboy-hoed op – knikt ook heel nadrukkelijk. “We kunnen niet hebben dat de een niet en de ander wel zou mogen parkeren hier met Koninginnedag. Daar krijgen we scheve ogen van.”

“Dat zijn het,” echoot het in mijn hoofd, “scheve ogen. Ik loop hier spitsroede onder scheve ogen.”

“We hebben net geprobeerd, maar het lukte niet. Ik kan de bocht niet maken.”

“Dan proberen we net zo lang tot het wel kan,” zegt de agent.

Ik moet zes keer steken. Iedereen aan weerszijden van de weg moet de kleedjes met al zijn uitgestalde spullen weghalen. Ze mopperen en fronsen. Het is ook nog eens vreselijk druk en mensen drommen rondom de auto. Meer onvriendelijke blikken nu ook. De agenten lopen voorop en gebaren. Het duurt allemaal een eeuwigheid. Ik krijg van alle kanten aanwijzingen hoe ik moet sturen. Iedereen zit op mijn zaak. Dan, als ik eindelijk in de rijrichting sta (ik stond haaks op de weg in een parkeerhaven) kan ik stapvoets richting het einde van de weg naar de afzethekken zo’n driehonderd meter verder. Geëscorteerd door twee agenten. De auto past maar net tussen de kleedjes en tafeltjes met spullen
aan weerszijden van de weg. Mensen moeten hun tenen intrekken, hun buik inhouden. Striemende blikken nu. Maar nog maar een paar meter en dan ben ik ervan verlost (hé onze buren en nog meer buren: ja het komt zo, gisteravond…geparkeerd…ik wist het niet…).

En dan…als je denkt dat je het allemaal gehad hebt, dan komt die dubbele rij met ongeveer twaalf hoogbejaarden in rolstoelen – Zonnebloem initiatief – mijn kant uitrijden, en staat ineens alles vast. De agenten gebaren alle kanten op, de bejaarden met hun verzorgers moeten terug, heel ingewikkeld draaien…heel zielig, erg. Grote verontwaardiging…

Nee, het komt nooit meer goed met mij en Koninginnedag, ook niet als het over een jaar of zo Koningsdag gaat worden.

ImagesCAM8FZ8K

Begin

Alles heeft een begin. Ook een rechtenstudie, ook de mijne. Al weer even geleden maandag 1 september 1980. Best nog een beetje aardig weer buiten, maar hier binnen in deze grote, muffe collegezaal zonder ramen, CZ 101, merk je daar niks van. Het licht is kil. Alle brugpiepers van de opleiding rechtsgeleerdheid aan de Katholieke Hogeschool Tilburg zijn opgewonden, druk. Half verscholen zitten ze achter rode, losbladige wettenedities van meer dan een kwart meter hoog. Het zijn de eerste jaren van het massa-onderricht in het juridische metier. De faculteit heeft het er maar moeilijk mee. Leuk natuurlijk, zoveel eerstejaars. Maar waar laat je ze? Wat doe je er mee?

9MICAZHAXWMCAX11XC9CA9RM1EECAE23KAECAW8FFS5CAHFGLFDCADY9616CAGVVLR1CAJZFW8NCARXK5H1CAEJPOFICASB7H4BCA75D2H3CATI30YUCA4M7VAZCA6LPUMWCA0X91MVCAUVZOWP Mijnheer Jansen (laat ik hem zo maar even noemen) weet ook niet goed hoe hij er mee om moet. Om kwart over negen sluipt hij beneden de zaal binnen. Zijn ogen knijpen een beetje vanwege het schelle licht uit de t.l.-bakken aan het plafond. Een kleine gedrongen man met sluik zwart haar, een non-descript beroosd grijs pak en een dikke hoornen bril. Geen gestalte die indruk maakt op deze verzameling hippe studenten. Collegezaal 1980: voornamelijk spijkerbroeken en -jassen, lang haar, benen op tafel. Hier en daar wel poloshirts en bandplooibroeken. En lui die door hun moeder zijn aangekleed om op een rechtenstudent te lijken. De zaal is rumoerig. Er staan pakken melk op de uitklapbare plankjes, koffie, thee, boter, brood, pizza. Er wordt in die tijd tijdens colleges gekaand bij het leven. En, o ja, het is het laatste jaar dat je gewoon mag roken in de collegebanken. Officieel is het verboden in verband met de brandveiligheid, maar er wordt geen werk gemaakt van de handhaving. Docenten doen het ook. En dan is er die ene vent met zijn enorme hond. Of er iets met zijn ogen was, vroeg een van de mentoren die Bezetting_amsterdam-200x133 die ochtend even langs kwam kijken. ‘Nee de hond ziet prima…’ Joelend hoongelach in de collegezaal.

Rechtenstudie 1980. Voor de meesten een parkeerstudie. Ze doen een jaartje rechten, misschien twee jaartjes, daarna nog wat sociale geografie of zo. Allemaal om een beetje uit te puffen van die middelbare school waar van alles moest. Nu hoeft er niks meer. Veel studenten hebben een volledige studiebeurs die ongeveer even hoog is als een bijstandsuitkering. Veel, heel veel geld. En het collegegeld is een schijntje. Huren zijn na de crisis erg laag. Niet gek dat iedereen gaat studeren. Als je studeert, hoef je niet direct in militaire dienst en je hoeft ook niet te solliciteren; je hoeft trouwens ook helemaal niet te komen. Inschrijven is genoeg. Een dolgedraaid systeem. Er hoeft niets, er moet niets en niemand doet ook iets. Je best doen in je studie wordt in het beste geval gezien als uitsloverij, in het slechtste geval als asociaal: als jij je zo uitslooft, moeten we misschien straks allemaal aan de bak.

En van de kant van de opleiding heb je ook niet veel te verwachten. Ongemotiveerde staf die zich in het beste geval als beroepsactivist heeft verschanst in de faculteitsraad om daar een loopgravenoorlog uit te voeren met de hoogleraren. Vileine, kleingeestige shag-democratie en wetenschappelijke docenten die nooit onderzoek doen. De enkele uitzondering is steevast vastgelopen in een decennialang aanslepend proefschriftonderzoek.

Boring-Lecture Jansen stuntelt met zijn microfoon (Sennheiser). Een zwaar geval dat met een snoer om de nek wordt gedragen. Hij stelt zich mompelend voor. Pas na even dringt het tot de zaal door. Deze man is geen jurist, maar een boekhouder, een registeraccountant. Met een vak als economie 2, zoals het vak stond aangekondigd, hadden we het natuurlijk moeten weten. Een kapitalistenmaatje van het zuiverste water. Er wordt verontwaardigd gesist in de zaal. Jansen begint toch maar zijn college. Draait zijn rug naar de zaal en schrijft berekeningen boven in de hoek van het collegezaalbrede bord. Priegellettertjes die nauwelijks te lezen zijn. Zijn onverstaanbare geprevel helpt ook al niet. Zeker een half uur brouwt hij daar voort op dat bord en de zaal wordt almaar onrustiger. Gelach, luid gepraat, niet te volgen. De hond blaft zelfs een keer en het staat halfblauw van de rook. De enkele keer dat Jansen omkijkt, zie je dat de herrie hem irriteert. Na drie kwartier laat hij ons even los, gekweld en een beetje zwetend. Dit gaat niet goed. De enkeling van ons die na de pauze terugkeert (ik was er nu toch eenmaal) ziet dan dat Jansen een plan heeft. Zijn ogen zijn een beetje geniepig samengeknepen: ze twinkelen. Hij doet de microfoon om en begint, maar draait nu steeds om van het bord als de zaal rumoerig wordt. Kijkt bezwerend. Nadat er zomaar iemand hardop begint te lachen, keert hij zich met een ruk om en tuurt nadrukkelijk naar het midden van de zaal waar het al de hele tijd rumoerig is.

‘Mag ik u eens een vraag stellen…?’ zegt hij dwingend. ‘Ja u daar!’ Hij wijst. Midden in de zaal duwen ze elkaar en halen hun schouders op. ‘Dan kom ik toch gewoon even naar boven,’ zegt Jansen, nu met een gemeen glimlachje om de lippen. ‘Hebbes!’, zie je hem denken. ‘Met de microfoon in hun neus zo dadelijk zullen ze wel even een toontje lager zingen.’ Op een soort drafje dat je niet verwacht van dat onhandige lichaam beent Jansen a-ritmisch de trap op. Het hupje in zijn pas verraadt dat hij pret heeft. Totdat…. totdat hij met een ruk onderuit getrokken wordt door het microfoonkoord om zijn nek. Veel te kort dat snoer om het midden van de zaal te bereiken. Kom je dan achter. Met een soort halve salto ruggelings stuitert hij hard achterover de trap af. Hilarisch. Een bezorgde studente (toch nog één dan) helpt hem een overeind, de rest van de zaal rolt van het lachen. Minutenlang.

Rechtsgeleerdheid 1980. Ongemotiveerde studenten, slechte docenten, een verziekte sfeer en waardeloos onderwijs – de enkele meeslepende hoogleraar (Konijnenbelt, Nieuwenhuis) niet te na gesproken. Geen mens die naar dat onderwijs of de studenten om leek te kijken, geen mens die het kon schelen, zo leek het wel. Dieptriest. De meeste dingen worden niet beter naarmate je ouder wordt, maar een ding is door de jaren enorm opgeknapt: de juridische opleiding. En die kan zelfs nog heel veel beter, zeker het begin ervan. Bonum initium est dimidium facti. Want het mag nooit meer 1 september 1980 worden.

(gepubliceerd in Ars Aequi 2/2011)

Doorleren

Nu met die kabinetsplannen om (té) langstuderen aan te pakken, moet ik er af en toe aan terug denken.

Het was mijn eerste auto. Ik had hem net voor 900 gulden gekocht van een antiekhandelaar. Ja echt, van een antiquair. Die had hem achter een oude varkenskooi staan. Grote kale plekken in de lak, een paar deuken, maar motorisch nog goed. Kever, ovaaltje uit 1954. Alle verdiensten uit dat ene bijbaantje bij Le Bistro[1] er in gestopt.  Iemand via iemand en iemand spoot hem over voor een habbekrats en zo bezat ik ineens op mijn 24ste mijn eerste echte auto.

Ik besloot naar mijn ouders te rijden om hem daar eens te laten zien. Een uitdaging dat ding op de weg te houden. Techniek en rijcomfort uit een ander tijdperk natuurlijk. Na eindeloos te zijn ingehaald door iedereen bereikte ik dan toch het buitengebied van de gemeente Zundert en ook de landweg die naar de overtreffende trap van achteraf voerde: de plek waar ik geboren ben.

De kever hobbelde stoterig over de ongelijke straatstenen, dat laatste stuk. Wat geïrriteerd stuurde ik de laatste bocht in die door een bomenrij niet helemaal was te overzien. Vol op de rem moest ik ineens. Ik schrok me dood. Met een rotvaart kwam een gifgroene, minstens drieëneenhalve meter hoge John Deer-tractor op me inrijden. Manshoge banden en een dreunende dieselcilinderbas.Ik kon het gevaarte nauwelijks ontwijken. Ook de tractor stopte.Imagestractor

‘Hé Wim!!’ riep iemand daar in de hoogte. ‘Hoe-ist-mejouw?’

Jan Simons, het was Jan Simons daar boven in de cabine. Een nagelnieuwe tractor, dat kon je zo zien. Joviaal gooide Jan zijn deur een beetje open. ‘Highway to hell’ van AC/DC beukte uit de boxen. Hij lachte breeduit. Jan: buurjongen bij ons uit de straat. Van kindsaf aan mee gespeeld, klasgenoot op de lagere school toen hij was blijven zitten. Leuke aardige vent. We verloren elkaar uit het oog toen we naar de middelbare school gingen.

‘Mooie tractor,’ zei ik. ‘Wat een ding man.’

Jan grinnikte. ‘Kost mjeer dan honderdduzend gulde…’, zei hij zonder trots. ‘En daarom mot ik nou elleke dag van 6 uur smorreges tot 10 uur savonds loonrije mee da ding. Al mijn vullingen liggen er uit. Maar ja ik moes wa na die kut-Tuinbouwschool waar ik niks geleerd heb.’ Onweerstaanbaar en aanstekelijk vrolijk Jan, nog steeds.

‘En gij…?’ zei hij met een vriendelijke knik.

‘Ik studeer…’

‘Bende gij nog steeds bezig?? En gij kon nog wel zo goed leren….’


[1] Lees  ‘Le Bistro (zonder t)’ eerder gepubliceerd op deze blog.

Kerstchagrijn

Het is maar goed dat Kerst het feest van vrede en vergeving is, want in de weken er voor schroeft de narrigheid gestaag op. Vanwege het verkeerd inschatten van de twee ‘helften’ van een jaar (september-december duurt maar 4 maanden, januari-juni daarentegen 6), vanwege de drukte en het idee van de harde jaarcesuur, vanwege het rotweer en het duister, vanwege-wat-weet-ik-al-niet-meer: kerstchagrijn. Als je in deze dagen toegeeft aan je eigen irritatie, riskeer je een onvermoed heftige ontploffing aan de andere kant. Iedereen heeft het gewoon gehad, we staan allemaal op scherp. Dus daarom: reageer niet eind december. Slik in en glimlach: daar heb je nog een heel jaar plezier van.

Christmas-stress

 

Top 2000

Naast me zit een knul die ik ken uit de colleges. Het is een uur of 11 in de koffiecorner van ons gebouw. Donker buiten, al dagen zo lijkt het. Binnen pruttelt de blinkende Espresso-automaat die in het begin zo’n problemen gaf. ‘Vanwege al die elektronika’, wist Nelly. Ik roer door mijn Espresso (heeft geen zin, want ik neem er niks in). Een moment voor jezelf, zal ik maar zeggen.

‘Mooi nummer,’ zegt die jongen die ik ken tegen zijn buurman, ‘Hotel California van de Eagles, een echte klassieker. Die kon dit jaar wel eens nummer 1 in de Top 2000 komen in plaats van Bohemian Rhapsody van Queen…’ Samen met zijn buurman – lang blond haar – prevel-zingen ze de tekst mee. Ze kennen die uit hun hoofd. ‘Moet je horen die solo…’ stoot de een de ander aan. ‘Ja die solo…’ beaamt de ander dromerig. Als ik om me heen kijk, zitten nog meer studenten in onze koffiecorner mee te deinen. Dit nummer horen ze kennelijk graag.

The-eagles-hotel-california Hotel California is een nummer uit 1977, van de gelijknamige LP van de Eagles. Deze jongens die meezingen zijn, schat ik zo, 21 of 22 jaar oud. Geboren 1989 of 1988. Hotel California was als nummer toen al 10 jaar oud, de Eagles al weer zo’n jaar of negen uit elkaar (na 1994 begonnen ze pas weer te toeren). Zeker, het is een mooi nummer met een enigmatische tekst, maar toen het nummer uitkwam – ik herinner het me nog goed – werd daarmee de klok van de rockmuziek niet voor altijd verzet. Gewoon een goed nummer dat mede vanwege het easy-listening-karakter een plek vond in het rock-dna van moderne mens. Net op de grens van Muzak, een goed gevoel, een muzikale thuiskomt, je eigen rock-knuffel die overal mee naar toegaat zolang je je al weet te herinneren.

33 Jaar oud inmiddels. Niemand die zich in 1977 zelf een 33 jaar oud nummer wist te herinneren. Een enkele zonderling die misschien wist dat Glenn Miller met zijn big band een grote naam was in 1943 (Tuxedo Junction – klinkt nu ook nog prachtig). Maar met Vera Lynn, Judy Garland, Ella Fitzgerald of Bing Crosby (zie de charts van 1943) daar moest je al helemaal niet mee aan komen. Mottenballen-muziek vond iedereen dat.

Hoe komt het dan toch dat nu de hele Top 2000 vol staat met nummers die tussen de dertig en veertig jaar oud zijn? Niet vanwege de uitzonderlijke kwaliteit van die nummers, toch? Misschien omdat rock en roll muziek in onze genen is geslopen, misschien ook omdat het ons niet meer lukt echt nieuwe, andere muziek te maken. Geen zin meer in innovatie. Laten we maar hopen dat dat het niet is.